Present Perfect

Presentatie

01 - Engelse grammatica

Past Perfect

De Past Perfect gebruik je om te laten zien dat iets gebeurde vóór een ander moment in het verleden.

Het gaat vaak om twee momenten in het verleden

waarbij één gebeurtenis eerder gebeurde

dan de andere gebeurtenis.

02 - Kernidee

Eerder in het verleden

De Past Perfect beschrijft iets dat al was gebeurd vóór een ander moment in het verleden.

Je maakt de volgorde van gebeurtenissen duidelijk.

03 - Vorm

Had + voltooid deelwoord

De vorm is: had + past participle.

Bij alle onderwerpen gebruik je had.

De vorm verandert dus niet bij he, she of it.

Voorbeelden: I had visited London. She had finished her homework.

04 - Voltooid deelwoord

Regelmatig en onregelmatig

Bij regelmatige werkwoorden eindigt het voltooid deelwoord meestal op -ed

zoals worked, played en finished.

Onregelmatige vormen moet je leren, zoals gone, seen, done, eaten en been.

05 - Gebruik 1

Eerder dan iets anders

Je gebruikt de Past Perfect voor de gebeurtenis die het eerst gebeurde.

De andere gebeurtenis staat vaak in de Past Simple.

Voorbeelden: When I arrived, she had already left. They had finished dinner before we came.

06 - Gebruik 2

Reden of oorzaak

De Past Perfect kan uitleggen waarom iets in het verleden gebeurde.

Voorbeeld: I was tired because I had worked all day.

Voorbeeld: She was sad because she had lost her phone.

07 - Gebruik 3

Ervaringen vóór een verleden moment

Je gebruikt de Past Perfect om te zeggen dat iemand iets al eerder had meegemaakt.

Before 2020, I had never visited Italy.

She had seen the film before we watched it together.

08 - Signaalwoorden

Before, after en already

Woorden zoals before, after, already en by the time komen vaak voor bij de Past Perfect.

I had met him before.

After she had finished, she went home.

By the time we arrived, the film had started.

09 - Zinsvormen

Bevestigend, ontkennend en vragend

Bevestigend: I had finished my work.

Ontkennend: She had not seen the film.

Vragend: Had you finished?

In spreektaal gebruik je vaak verkorte vormen zoals I’d, she’d, we’d en hadn’t.

10 - Vergelijking

Past Perfect of Past Simple?

Gebruik de Past Perfect voor wat eerder gebeurde: I had seen that movie before we watched it.

Gebruik de Past Simple voor wat daarna gebeurde: We watched that movie yesterday.

11 - Samenvatting

Onthoud dit

De Past Perfect gebruik je om duidelijk te maken dat iets gebeurde vóór een ander moment in het verleden.

De vorm is altijd had + voltooid deelwoord.

Gebruik de Past Simple voor de gebeurtenis die daarna gebeurde of voor gewone gebeurtenissen in het verleden.