1. Wat is de Past Perfect?
De Past Perfect gebruik je om te laten zien dat iets gebeurde vóór een ander moment of een andere gebeurtenis in het verleden.
2. Vorm van de Past Perfect
Je maakt de Past Perfect met:
had + voltooid deelwoord
| Onderwerp | Hulpwerkwoord | Voltooid deelwoord | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| I / you / we / they | had | worked, seen, eaten | I had visited London before. |
| he / she / it | had | worked, seen, eaten | She had finished her homework. |
Let op: de vorm is voor alle onderwerpen hetzelfde: had. Bij regelmatige werkwoorden eindigt het voltooid deelwoord meestal op -ed, zoals worked, played en finished. Onregelmatige werkwoorden moet je leren, zoals gone, seen, done en eaten.
3. Wanneer gebruik je de Past Perfect?
A. Iets gebeurde vóór iets anders in het verleden
Je gebruikt de Past Perfect voor de gebeurtenis die het eerst gebeurde. De andere gebeurtenis staat vaak in de Past Simple.
- When I arrived, she had already left.
- They had finished dinner before we came.
- He had cleaned the room before his parents got home.
B. De volgorde van gebeurtenissen duidelijk maken
De Past Perfect helpt om duidelijk te maken welke gebeurtenis eerder plaatsvond.
- I was tired because I had worked all day.
- She was sad because she had lost her phone.
- We were late because we had missed the bus.
C. Ervaringen vóór een moment in het verleden
Je gebruikt de Past Perfect om te zeggen dat iemand iets al eerder had meegemaakt vóór een bepaald moment in het verleden.
- Before 2020, I had never visited Italy.
- She had seen the film before we watched it together.
- They had been to London before they moved there.
D. Met woorden zoals already, before en by the time
Woorden zoals already, before en by the time komen vaak voor bij de Past Perfect.
- She had already called before I sent the message.
- I had met him before.
- By the time we arrived, the film had started.
4. Signaalwoorden
Sommige woorden komen vaak voor bij de Past Perfect. Ze helpen je herkennen dat iets eerder gebeurde dan een ander moment in het verleden.
voordat / eerder
I had seen the film before.nadat
After she had finished, she went home.al
He had already left.tegen de tijd dat
By the time we arrived, they had started.nooit
She had never eaten sushi before.toen / wanneer
When I got home, my brother had cooked dinner.5. Bevestigend, ontkennend en vragend
| Soort zin | Structuur | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Bevestigend | subject + had + past participle | I had finished my work. |
| Ontkennend | subject + had + not + past participle | She had not seen the film. |
| Vragend | Had + subject + past participle? | Had you finished? |
In spreektaal gebruik je vaak verkorte vormen: I'd, you'd, he'd, she'd, we'd, they'd en hadn't.
6. Past Perfect of Past Simple?
Gebruik de Past Perfect voor de gebeurtenis die eerder gebeurde. Gebruik de Past Simple voor de gebeurtenis die daarna gebeurde, of wanneer je gewoon vertelt wat er in het verleden gebeurde.
Past Perfect
Gebeurde eerder in het verleden.
- I had seen that movie before we watched it.
- She had lost her phone before she called me.
- We had visited Paris before we moved to France.
Past Simple
Gebeurde later, of is de gewone verleden tijd.
- We watched the movie yesterday.
- She called me last night.
- We moved to France in 2019.
7. Veelgemaakte fouten
Fout: When I arrived, she left already.
Goed: When I arrived, she had already left.
Fout: She had went home.
Goed: She had gone home.
Fout: Had you saw him before?
Goed: Had you seen him before?
Samenvatting
De Past Perfect gebruik je om duidelijk te maken dat iets gebeurde vóór een ander moment of een andere gebeurtenis in het verleden. De vorm is altijd had + voltooid deelwoord. Gebruik de Past Simple voor de gebeurtenis die daarna gebeurde of voor gewone gebeurtenissen in het verleden.